Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 35- Het Anthropische (Gr. anthropos = de mensch.) of Quartaire (tegenwoordige) tijdvak werd op het noordelijk halfrond van het tertiaire gescheiden door een of meer zoogenaamde ijstijden. Tegenwoordig vinden we ongeveer denzelfden toestand op het zuidelijk halfrond, waar in ZuidAmerika tot op eene breedte van 45 a 40° gletschers tot aan zee afglijden. I11 de vlakten van noordelijk Middel-Enropa vinden wij de getuigen van dezen ijstijd in de zwerfblokken, de grint en het leem, die van Skandinavië uit tot onze breedten door gletschers zijn aangevoerd. Skandinavië en noordelijk Middel-Europa verkeerden toen dus in een' toestand, als waarin thans nog Groenland zich bevindt. De zwerfblokken en de leenilaag, waarin deze meestal liggen, zijn de moraines, die bij het rijzen van de temperatuur in deze streken en het terugkrimpen van de gletschers, daar bleven liggen. Ook in de gebergten van Middel-Europa vinden we bewijzen voor de lage temperatuur van dien tijd in de hoopen gruis, die toen, veel lager dan tegenwoordig, op de vlakten en voor de monden van vele dalen werden neergelegd en niet anders zijn dan de gronden eindmoraines van vroegere gletschers. Door de toen zeer waterrijke rivieren werden leem, zand en grint tot ver buiten het eigenlijke gletscherterrein vervoerd.

De quartaire gesteenten bestaan uit gruis, dat dikwijls tot conglomeraten is samengekleefd, verder uit zand, klei, leem, veen etc. Als jongste formatie komen zij vooral voor in vlakten en dalen, terwijl zij soms slechts lage heuvels vormen, nooit eigenlijke bergen.

Men onderscheidt het quartaire tijdvak in twee afdeelingen: eene oudere (het diluvium) en eene jongere (het alluvium).

Onder de grondsoorten, die tot het quartaire tijdvak behooren, is er geene, voor welker wijze van ontstaan meet uiteenloopende verklaringen zijn gegeven, dan voor die van het löss, eene geelbruine, fijnkorrelige en poreuze, kalkhoudende leemsoort, die meestal geene lagen vertoont en de neiging heeft, loodrechte wanden te vormen. De menigte schelpen van landslakken, die er in voorkomen, maken het vvaarschijnfijk, dat het löss niet in het water is bezonken. Waarschijnlijk zal het materiaal zijn

Sluiten