Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 't algemeen begunstigen warmte en vochtigheid den plantengroei De poolstreken en de hoogere deelen der hooggebergten hebben «een bosschen door de koude; in de steppen ontbreken ze door langdurige droogte-perioden, of misschien doordien debodem le fijnkorrelig is en het water daarin niet diep genoeg kan doordringen om planten met diepgaande wortels, als boomen te voeden. Waar de koude of de droogte te zeer toeneemt daar verdwijnt de plantengroei bijna geheel, zoodat de streken hier den indruk maken van plantenloos te zijn: koudeen droogte-woestijnen.

De dieren vertoonen eene sterke afhankelijkheid van de plantenwereld, hetzij onmiddellijk, als de meeste insecten en de herbivoren, hetzij middellijk, als de carnivoren.

S 59. Europa behoort in 'tN., langs de ljszeekusten, tol het gebied van den toendragordel, 'tgebied der mossteppen, dat zich ook in Azië en Amerika langs de kusten der IJszee uitstrekt. Op de toendra volgt een gebied van naaldboomen en berken die weldra plaats maken voor bosschen van loofhout. In tegenstelling met de boomen van Zuid-Europa en de verdere Middellandsche-zeelanden met hun subtropisch klimaat verliezen de Middeleuropeesche loofboomen des winters hunne bladeren. De dichte bevolking heeft reeds, behalve 111 Skandinavië, Oost-Europa en de gebergten, de meeste bosschen doen verdwijnen. In de hoogere deelen der middelgebergten en van de Voor-Alpen maken de loofboomen plaats voor naaldhout. De Middel-Alpen hebben alpenweiden en daarop volgt het «rebied der eeuwige sneeuw. Het zeeklimaat van West-Europa en de langere en koude winters van Oost-Europa geven aan de noordelijke verbreidingsgrenzen van vele Europeesche boomsoorten eene richting NW.-ZO. Zoo loopt de noordgrens van den beuk over Koningsbergen in deze richting. Zuid-Euiopa heeft altijdgroene loofboomen, als de laurier, de vijg, de citroen, de sinaasappel. De dadelpalm komt in 'tZ. voor maar de vruchten worden er zelden rijp. De Groote Hongaarsche vlakte door gebergten ingesloten, die den winden veel vocht ontnemen" draagt in de poesta's (= dorre vlakten) een steppekarakter. In 'tZO., bij de Kaspische zee, dringt het Aziatische

Sluiten