Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nooten, vol jeugdig-opwellende begeestering, als de „Belgische Sappho" begroet werd, moeten wij eenige stonden verwijlen.

In hare eerste werken is een overwegende invloed der Hollandsche letterkunde waar te nemen, maar alras bespeurt men eene neiging om zich hiervan te bevrijden.

Aan haar viel de eer te beurt, in 1834 het eerste nummer der „ Nederduitsche Letteroefeningen" , te openen, met eenen oproep: „Aan de Belgische Dichters", een misschien wel wat opgeschroefd en bombastisch gedicht, maar dat, door zijne fiere en krachtige taal, de dichters van dien tijd van geestdrift deed blaken.

Onder de leiding van Prudens van Duyse, ontwikkelt en loutert zich allengs haar talent. De „Madelieven", waarin zij hare teedere, echt vrouwelijke ziel uitstort, haren bundel volksliederen „De Avondlamp„Winterbloemen" en „Najaarsvruchten", vormen het hoofdbestanddeel van hare werken waarvan in 1876 eene volledige uitgave in den Haag

Sluiten