Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE BOEK.

„Aan 't schrijven van veel boeken komt geen einde." En ik, die in proza en poëzie veel voor anderen heb geschreven, wil nu voor mij zelve gaan schrijven — eigen levensgang voor eigen beter-ik schetsen. Zoo maakt men z'n portret wel eens voor een vriend, die het in een lade bewaart en het nu en dan — ook nadat zijn liefde voor u al lang is gestorven — te voorschijn haalt en aanziet, om wat hij was en is bijeen te houden.

Aldus schrijvende ben ik nog wat men gewoon is jong te noemen. Zóó ver ligt de levenskust nog niet achter mij, zóó diep ben ik het land nog niet ingetrokken, of ik hoor nog steeds dat ruischen van de Oneindigheid daarginds, waartegen 't sluimerend wichtje glimlacht; — onbegrepen lachje, dat wij mijmerend aanzien. — Zóó ver ben ik nog niet op weg, of ik zie mijn moeder nog, daar aan de deur der kinderkamer, mij schertsend met den vinger dreigend: „Stil, stil, niet zoo veel leven maken, hoor" — terwijl haar lachende oogen, in strijd met haar woorden, als meestemmen in het kinderlijk gedruisch. Nog voel ik, nadat zij ons beiden had

Sluiten