Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verlaten, vader's hand mijn lokken over zijn knie uitstrijken. Nog hoor ik Assunta schertsend vragen (zij wist hoe lief die scherts mijn vader was) hoeveel gouden scudi wel aan zulke krullen zouden gaan. O vaderhand, streel, streel mijn arm hoofdje, druk het vaster aan uw knieën: te jong, te jong nog ben ik om alleen te zijn.

Mijn moeder was een Florentijnsche. Ik was nauwlijks vier jaar oud, toen haar wonderschoone blauwe oogen zich sloten, om mij nooit meer aan te zien. Een vonkje was mijn leven, ontrukt aan een kwijnende lamp, die daardoor uitging. Zij was zoo zwak en teer; de vreugde van 't levenschenken was haar te machtig; de moederweelde doodde haar. Had haar kus mijn mondje langer mogen drukken, dan had ik wellicht rustiger leeren ademhalen, mijn ziel had hechter band met dit bestaan geknoopt. Maar nu — nu miste ik in de wereld een moeder. Nu liep ik te zoeken als het blatend lam, dat 's avonds bij het sluiten van de schaapskooi buitenbleef. Ik was onrustig als de jonge vogel, die, het nest uitgevlogen, koud wordt.... koud, omdat er iets weg is.... hij weet zelf niet wat.

Ik, Aurora Leigh, werd geboren om mijn vader droeviger en mij zelve waarlijk niet al te blij te maken. Een vrouw alleen weet wat een kind noodig heeft. Zij weet op zulk een eenvoudige, vriendelijke, vroolijke manier het hoedje vast te strikken, de schoentjes aan te trekken en woordjes samen te rijgen, die zoo aardig klinken; woordjes zonder zin, maar die zij vol van zin weet te kussen. Dit alles doet het leven naar buiten komen. Op die wijze leert het kind, prettig spelend, der liefde heiligen ernst. Zoo krijgt het niet te vroeg een strakken plooi, maar leert het zien, dat liefde goddelijk is, in 't brandend braambosch, dat geen bloesem schaadt; dat gloeit maar niet verzengt. Zoo wordt het zich bewust van liefde, zonder vrees. Dat is het werk

Sluiten