Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het in haar plooien te weerhouden. Uren lang zat ik aldus. Assunta's huiverend ontzag en vaders droeve blik, zij wezen steeds daarheen. Daarheen ook trok mijn droomen en mijn denken. En naarmate ik ouder werd, verbond ik onbewust en verward, al wat ik het laatst hoorde of las, 't zij grootsch of liefelijk, aandoenlijk of afschuwelijk, schoon of dwaas, altijd met dat gelaat. Het nam daarom voor mij geen andere vormen aan, maar leende zich tot alle vormen. Beurtelings was het engel, demon, fee, tooverheks, godin; een onverschrokken Muze, die een vreeselijk noodlot tart, een minnende Psyche, die de Liefde uit het oog heeft verloren, een strakke Medusa met het zachte bleeke voorhoofd, waarom zich slangen kronkelen, wier gif als zweetdroppelen nedervalt. Of wel het was de Moedermaagd, de borst, waaraan het goddelijk kindje eens rustte, met zwaarden doorstoken; of Lamia in haar eersten schrik, voordat zij sidderend ineenkrimpend ging voortschuifelen naar het onreine. Maar ook mijn eigen moeder, mij kussend met haar laatsten glimlach, toen vader mijn mondje daartoe op haar stervend aangezicht drukte. En ook mijn doode moeder zonder lach of kus, daar ginds in haar graf te Florence. Al die beelden te gader weerspiegelden zich in dat ééne beeld, dat mij verzelde door mijn droomerige kindsheid, evenals in het heerlijk, liefelijk mysterie van eeuwig leven de strijdige begrippen van dood en leven, zijn en wisselen zich oplossen.

Terwijl ik, arme kleine, mij aldus blind staarde op moeders beeltenis, vloden vaders dagen stil daarhenen. Wel had de liefde hem de oude banden doen verbreken, wel had hij, als Lazarus, den zweetdoek van zijn ziel gerukt, maar zijn geluk duurde te kort, om hem van nieuws af aan te leeren leven. De nieuwe zon bracht hem geen nieuwen dag. Hij leefde als een die droomt, wel denkend, maar doelloos; tot vrijheid, maar niet tot handelen gebracht. De Liefde

Sluiten