Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooals men het ter gedachtenis in een boek bewaart, dat, al is zijn bloei ook vergaan, toch ook niet meer verwelken kan.

Zij had — laten wij zeggen — een onschadelijk, zij noemde het een deugdzaam leven geleid; een rustig leven, dat in het geheel geen leven was; maar zij had niet genoeg geleefd om dit te weten — altijd in eigen, engen kring, bestaande uit den geestelijke en de landheeren van het plaatsje, terwijl de gouverneur der provincie nu en dan even uit zijn hooge sfeer neerzag, om hun aristocratisch gemoed voor mogelijke ontaarding te bewaren en daar in de laagte aan den apotheker eenmaal in het jaar het bezoek werd gebracht, dat van de nederigheid huns harten moest getuigen.

Het liefdadigheidsgenootschap bood haar gelegenheid tot het openbaren van haar christelijken zin, door haar kousen te breien en hemden te naaien te geven. Want wij menschen zijn toch eigenlijk van één maaksel en hebben dezelfde hemden noodig — behoorlijk acht gevende dat de kwaliteit van het flanel moet verschillen. De leeskring, zuiver gehouden van alle moderne kunstgrepen, om gevaarlijke kwestiën tusschen de bladen te schuiven, hield haar geest wakker en frisch. Zoo had zij het leven geleid van een vogel, die, in een kooi geboren, volmaakt tevreden is met van het eene stokje op het andere te springen. Mijn hemel, wat een dwaze dieren, die op boomen en struiken leven en boschbessen eten!

En zoo werd ik, arme, wilde vogel met nauw half volgroeide pennen naar diezelfde kooi gebracht en daar stond zij op mij te wachten.... o zoo vriendelijk. Hier, breng frisch water, geef nieuw zaad en zand. — Daar stond zij op den drempel van haar woning, rustig, in het zwart gekleed. Ik sloeg mijn armen om

haar hals; och de zuigeling, die het handje naar

den bontgekleurden bal uitsteekt, om het nieuwe licht meer naar zich toe te halen, grijpt niet half zoo

Sluiten