Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het venster en daardoor keek het landschap met al zijn buitengroen naar binnen. Men kon zijn hoofd niet buiten steken zonder door den ochtenddauw van de kamperfoelie te worden bespat en zoo gedoopt te worden tot de genade en het voorrecht om rond te mogen zien.

Daar was allereerst de lindeboom. Hier voorzeker kon ik hem geheel en volop genieten; het gegons der bijen in zijn loof joeg zelfs menigmaal mijn morgendroom op de vlucht. Na de linde het grasveld, dat zich met een breeden zwaai om het huis slingerde, om daarna als een lichtgroene beek tusschen de heesters weg te vloeien, en in zich de acacias te verliezen. Over deze heen zag men de onregelmatige lijn der olmen, die geplant waren langs de omheining, welke de plaats omgaf en den al te weelderigen groei van het struikgewas tegenhield. De weg daarachter was zóó ver van het huis en lag zóó laag, dat noch de vreemde landlooper, noch de drijver die met wilde ponies uit Wales kwam, kon raden of de geuren, die de lucht vervulden, van landgoed of boerenhofstede kwamen, al had ook de kromme haak van hun stok de laagste ranken kunnen bereiken van den bloeienden braamstruik, die van den muur afhing.

Over en door de toppen dier olmen, zag men de golvende heuvelenrij, waarlangs de hagen als strepen op en neder liepen en waarachter de zware eiken te voorschijn traden, uit wier midden de rook uit Romney's schoorsteenen rustig omhoog steeg, als de adem eens menschen op een kouden winterdag. Want daar in het bosch lag Leigh Hall verscholen.

En nog weer verder strekte zich langs den horizont een hoogvlakte, een zandig voorgebergte uit. Bij nevelachtige dagen was het schier onzichtbaar, of meende men een wolk te zien; maar dan kwam de avondzon en beurde het met haar volle kracht omhoog en maakte het tot haar aanbeeld, vanwaar zij de gloeiende flitsen omhoog zond, die de hemelen

Sluiten