Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veilig voelde, als ik de eene groene helling na de andere zag oprijzen tusschen mij en het vijandelijke huis daarginds, dan vlijde ik mij neder, of — liefelijker ruste nog — dan trad ik langzaam voort over het gras en liet den blik rondom mij weiden. En overzag ik dan dien grond met zijn lichte golving — alsof God in het scheppingsuur hem slechts even met den vinger had aangeraakt — dien grond met al zijn groene hoogjes en laagjes, dat kabbelende land, die kleine, kleine heuvels, waar de hemel zich zoo teeder over kan buigen en waarlangs de korenvelden kunnen omhoog klimmen, die schaduwrijke hoekjes, valleitjes met orchideën omzoomd, waar onzichtbare beekjes hun blij gemurmel deden hooren, die open weiden met witte madelieven en zilveren dauw bestrooid, hier en daar onderbroken door aartsvaderlijke eiken en olmen, die zich rustig verhieven, door hun eigen, onmetelijke schaduw gedragen — dan, ja dan moest de bekentenis mij van de lippen, dat ik den geboortegrond mijns vaders waardig achtte het vaderland van mijn Shakespeare te zijn.

Deze tochten deed ik meestal alleen en ter sluik, maar soms ook kreeg ik vergunning om mede te gaan, als Romney met zijn vriend Vincent Carrington uit wandelen ging. Deze was een jonge schilder, wien de menschen niet recht bij zijn zinnen noemden, omdat hij beweerde, dat wie goed een lichaam schildert bijgevolg ook de ziel schildert, even als ons aller Meester deed. Dat waren heerlijke wandelingen, want als hij zeide: „Toen ik laatst in Italië was," klonk dit als muziek uit de verte, waarvan men de melodie niet onderscheiden kan, maar die men toch zoo mooi vindt om naar te luisteren. Vaker echter wandelde ik met Romney alleen, als het hem behaagde mij mede te nemen. Dan lazen, spraken, of redetwistten wij, al naar het uitviel. Gelieven waren wij niet; zelfs geen goedgepaarde vrienden, veeleer scholieren in verschillende vakken en denkers, die het oneens zijn;

Sluiten