Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar stond ik, als versteend, met opgeheven armen; ee?... caTatide, voetstuk in een verwoesten tempel gelijk, hulpeloos volhardend in een houding, die als een bespotting was van vroeger doel. Intusschen vlamde hoog op mijn blos, als uit vlas, niet uit steen.

„Aurora Leigh, vroegste der Auroras!"

Ik greep zijn uitgestoken hand, zooals de schipbreukeling elke hand grijpt, die hem wordt toegestoken. De vloed had mij verrast bij mijn kinderspel, mijn onbeduidende naam in het zand schrijvend, vlak aan zee, en deze overstelpte mij nu met een even dwazen blos. — Gij hier, neef Romney?"

De lach daalde uit zijn oogen naar zijn lippen en scheen daar te versteenen. „Hier is een boek, dat ik gevonden heb. Er staat geen naam in — gedichten zijn het, zag ik, met grieksche kantteekeningen, damesgrieksch zonder accenten. Of ik het gelezen heb ? Neen, geen woord er van. Ik zag aanstonds, dat er tooverkracht in schuilde en het lezen gevaarlijke geesten zou oproepen; daarom breng ik het liever aan de tooveres zelve."

„Mijn boek, gij hebt mijn boek gevonden?..."

„In den hollen weg bij de rivier, daar waar die beuk zich over het water buigt, waarvan gij eens hebt gezegd, dat de Oreade, die er in huist, het hart heeft van een Najade en wegkwijnt van verlangen naar den stroom."

„Dank u."

„Neen, ik heb veeleer u te danken, Aurora, dat ik in de tooveres, de dichteres, de geleerde, de droomster, ook de vrouw heb mogen vinden."

De glimlach rees weer naar zijn oogen en verlichtte heel even het klimop op mijn voorhoofd

Ik antwoordde ernstig: „Dichters moeten wel óf mannen óf vrouwen zijn — daar valt niets aan te verhelpen.

„Dat is waar, maar mannen — en vrouwen gelukkig nog minder — behoeven niet juist dichters

Sluiten