Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja Romney, want gij rijt voor lang reeds gehuwd. Gij hebt reeds een vrouw, die gij lief hebt: uw sociale theorie. U beiden geef ik mijn zegen. Wat mij betreft, ik ben niet onderworpen genoeg, om de dienstmaagd zelfs van uwe wettige gade te zijn. Zie ik er als een Hagar uit misschien?"

„O, gij schertst 1' ,

„Neen, waarlijk ik scherts niet, was mijn antwoord. „Gij beschouwt het huwelijk te veel gelijk zekere apostel het doet. Gij zoudt een vrouw, een zuster — zal ik het uitspreken? — een liefdezuster naast u dulden, meer niet."

„Moet het dan waarlijk vaarwel zijn ? En heeft mijn hoop, mijn verwachting mij zóó wreed bedrogen, toen ik meende, dat de vrouw edeler is dan de man en gij zelve de edelste onder de vrouwen, om te gevoelen, te beseffen wat liefde is? Liefde, die door heldhaftige plichtsbetrachting haar eigen gelijkenis voortplant? Heb ik zoozeer misgetast, toen ik, wagende waar in mijn liefde te zijn, kortaf zeide: „Kom, mensch gelijk ik zelf ben, kom en werk met mij," in stede van: „Jonkvrouw, gij zijt wonderschoon; waar de gratiën voorgaan, zal de Muze gewis volgen en slechts kruipende mag de minnaar de voetstappen der Muze drukken. O, buig u tot mij neder of ik sterf van

minnepijn." _

Met kalme verontwaardiging viel ik in: „bij vat de zaak op als een man, die in de vrouw niet anders dan de aanvulling van zijn eigen sekse ziet. Gij vergeet te veel, dat elk menschelijk wezen, hetzij man of vrouw, even als bij het geboren worden en het sterven, zoo ook in verantwoordelijkheid voor eigen denken en doen alleen staat. Hij, die tot een eerlijke vrouw spreekt: „Bemin en werk met mij," zal een gunstig antwoord bekomen, indien het werk en de liefde, goed in zich zeiven, ook goed zijn vóórhaar; het beste, waartoe zij zich geroepen kan voelen. Teedere, zachte vrouwen, nog nauwelijks tot het leven

Sluiten