Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een ziel vereischt om een lichaam in beweging te brengen; er is een hoog bezielde persoonlijkheid noodig, om de massa's zelfs naar reiner stal te drijven. Zonder het ideale blaast gij geen haarbreedte het stof van de werkelijkheid af. O, uwe Fouriers hebben gefaald, omdat zij geen dichters genoeg waren, om te beseffen, dat het leven zich van binnen uit ontwikkelt. Wat mij betreft, misschien ben ik — gelijk gij zegt — een taak als deze onwaardig; misschien kan een vrouwenziel slechts pogen, niet scheppen. Maar toch .... wij pogen; toch wil ik beproeven uw twijfel te beschamen en slaag ik niet .... verbrand mijn werk met ander kaf. Ik zal u niet om genade smeeken; uw minachting is mij liever, neef Romney. Ik, die mijn kunst bemin, ik zou haar niet willen verlaagd zien, opdat zij zich naar mijn lengte voegde. Ik mag mijn kunst beminnen, niet waar?... Gij zult mij toestemmen, dat een vrouw de kunst mag beminnen, daar ware liefde aan wat dan ook te verspillen ontegenzeggelijk vrouwelijk is.

Ik hoor nog het laatste woord dien dag door mij gesproken, zooals men na jaren nog het kraken hoort van de deur, waardoor u een tijding is gebracht zoo verpletterend, dat zij u voor altijd uw blijmoedigheid roofde. Romney's oogen, het trillen zijner zwijgende lippen, het waren vurige spitsen, die mijn woorden opvingen en ze voor altijd in mijn herinnering brandden — niet om hun eigen, maar om zijnentwille. En toch, ik weet het... ik beminde hem niet... en hij mij evenmin ... En mijn woorden berouwen mij niet; dat doet de waarheid nooit. Maar... wat een koninklijk man! Hoe hard ook jegens mij, een held tegenover zich zeiven. Zijn beeld achtervolgt en overheerscht mij door de wegglijdende jaren heen, te sterker naarmate de afstand grooter wordt. Had hij mij lief gehad, ja lief gehad met dat bestraffend gelaat, ik zou thans wellicht een alledaagsche vrouw zijn, gelukkiger, minder bekend en minder alleen

Sluiten