Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ja. Met die woorden verdween zij en liet mij alleen in de laan.

Eens had ik een vader, ja, maar lang geleden — hoe eindeloos lang scheen het mij op dat oogenblik toe. Ach hoe ver, hoe ver en veilig, o God, bewaart gij uw heiligen, als zij eens van ons zijn heengegaan. Al stijgen onze kreten naar de helder verlichte vensters van uw schoonen Junihemel, naar dien hemel, waar alle zielen zalig zijn, toch ziet niet één van hen — neen zelfs mijn vader niet — op van arbeid of spel, om luisterend te vragen: „Wie roept daar tot ons uit het duister daar beneên?" En toch, hoe snel wendde hij eertijds het hoofd om, als ik „vader" zei. Nu mag ik roepen en krijten, zoo luid ik maar kan, de zang van den leeuwrik stijgt hooger dan mijn klacht. Alleen, alleen, niemands deernis wekkend in hemel noch op aarde, stond ik daar en zag op naar de doove, blauwe lucht, die de rozen op dien Junimorgen ontluiken deed.

Gij, die rekening houdt met de keerpunten en overgangen in het leven, gedenk de ure, waarin de schepping „neen zegt op een „ja" in uw binnenste en, in stille majesteit haar weg vervolgend, u als een nietswaardige onder den voet treedt. Wij allen vangen aan met de vogelen te zingen en te dartelen met den zomerdag hand aan hand. Maar eens komt de ure, waarin der vogelenlied zich tegen ons keert, waarin de zon op ons neerschiet, als het zwaard van een vriend, door een vijandige hand tegen ons opgeheven en dat ons in het hart treft op het eigen oogenblik, dat wij den dierbaren naam op het lemmer zien blinken. Dat is bitter en overtuigend voorwaar; daarna twijfelen wij er zelden meer aan, dat er in het grootsche, schoone wereldplan iets — slechts een mannenvoetstap misschien — buiten het spoor is geraakt.

Een paar tranen vloeiden mij langs de wangen en daarop volgde een glimlach, de glimlach van hen,

Sluiten