Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die weten, dat zij in geen enkel gelaat op aarde den weerschijn van dien lach zullen zien. Ik had in Romney Leigh een vriend verloren — ja waarlijk een vriend, die mij nu en dan zoo vriendelijk had aangezien en van mijn lievelingsboeken „onze boeken" had gesproken met zulk een stem! Ach, ik voelde het, blik en stem waren thans nog volkomener, dan die van mijn vader, uit mijn leven gewischt. Romney Leigh was herschapen in een weldoener, een edelmoedig man, die zich verbonden had mij te huwen... mij, in plaats van die andere, die hij eens door een woord de neergeslagen oogen schuchter had doen opslaan en misschien wel om mijnentwille verlaten had. Mannelijke Iphigenia, die zichzelf door een contract aan een noodlottig Aulis had gebonden, opdat de winden keeren mochten. Maak zijn banden los; zij zullen niet keeren. — Geen wonder, dat hij mij wat koud en gebiedend in zijn liefde leek. Hij had het recht meesterachtig te zijn, die arme, goede Romney. Liefde was voor hem eenvoudig tot een wetsbepaling gemaakt. Huwde ik hem, ik zou mijn ziel mijn eigendom niet durven noemen; hij immers had haar gekocht en betaald! Elke gedachte, elke harteklop was hem wettig toegewezen. Niet een er van zou ik mogen onttrekken aan wat zijn welbehagen eischte. Hij mocht mijn lichaam tot munten slaan en er zijn overige armen mee bedeelen; mijn zonen tegen negers of vondelingen verruilen, en zwijgend als Griseldis zou ik er bij moeten staan. En terwijl mijn genius van het Ideale vruchteloos beide handen naar mij uitstrekte, mocht hij mijn rechterhand in de havelooze school, mijn linker in het volksbadhuis aan het werk stellen. Ik had het recht niet tot piepen als een muis in de val, het recht niet tot deernis met arm eigen ik.

Vaarwel mijn goede Romney; zelfs indien ik u beminde, zou het mij moeilijk vallen u zoozeer mijn weldoener te weten. Vaarwel vriend, nu dat vriend

Sluiten