Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen ons een zoo zwaar beladen woord moet zijn. En daar ik slechts hulp heb te wachten van wie mij niet liefhebben, vaarwel allen helpers; mij zeiven moet ik helpen, alleen staan is mijn lot voortaan.

Daarop raapte ik den bezoedelden krans van den grond op en drukte hem op het hoofd, zoo bitter als de Spaansche monarch eens zijn doode geliefde bekroonde. Nog altijd bewaar ik dien krans, 't Was de eerste; de overigen zijn aan dien eersten gelijk, die Olympische kransen, waar wij om draven, tot wij de zon niet meer zien kunnen door de stofwolken van de wedrennende wagens heen.

Vóór dat de avond viel, ontving ik een briefje van den volgenden inhoud:

„Aurora, lieve Chaldeesche, gij hebt mijn bedoeling van achteren naar voren gelezen, evenals gij uwe Oostersche schriften doet. Maar ik, liefste, ben van het Westen; tracht mij thans beter te verstaan. Gisteren haattet gij mij nog niet, is het wel? Ik voor mij had u lief, zooals ik u ook thans bemin. Klonken mijn woorden niet teeder dezen morgen, o liefste wil vergeven en wil gelooven, neen zeker zijn, dat ik uit liefde, uit vurige liefde alleen, u op één lijn met mijn eigen ziel plaatste en u daardoor overgoot met de bittere wateren van mijn eigen, dagelijksche gedachten. Groei voortaan, mijn bloem, hoog boven dit alles verheven en buig u met al uwe bladeren naar welke zijde gij wilt. Droom vrouwendroomen, schrijf vrouwengedichten, maar gun mij uw geur in mijn woning, gun dat ik in haar, na het sloven en zwoegen der week, mijn Sabbath vind. Kom, bloei aan mijn zijde den vollen bloei uwer jeugd, — wil mijne gade zijn."

Ik schreef terug: „Wij Chaldeërs weten ook tusschen de regels te lezen. Ik ken uw hart en sluit dat heilige boek, alleen waardig door de zachte oogen van heiligen in het vesperuur tusschen hun gebeden te worden gelezen. Gij hebt gelijk; ik haatte u gisteren

Sluiten