Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

egde, wat er achter mocht steken, dat men soep koos of aan visch de voorkeur gaf. Buren, die een morgenbezoek kwamen brengen, voelden, dat er iets met in den haak was, schoven onrustig op hun stoel, deden een vermanend kuchje hooren en bespraken de dorpnieuwtjes op afgemeten, terughoudenden toon; maar toch met een zekeren nadruk, zooals een dokter tot een zieke spreekt, die hem niet heeft laten roepen, maar wien hij niettemin wel iets zou te zeggen hebben, indien hij er vergunning toe kreeg. Ja zelfs de hond hield van zijn zonnig plekje op den vloer beurtelings mij en de groote bromvlieg in het oog, die hij zoo aanstonds naar binnen zou happen.

Zoo leefde ik — en zoo stierf een Romein, besmeerd met honig, gepijnigd door insecten, gefolterd door de felle middagzon. Menig engelsch dak heeft gedu.dige zielen zien sterven als die Romein. Ik voor mij, op die dagen terugziende, gevoel slechts moed tot de verzuchting: „Och, dat ik de beproeving mij opgelegd, wat zachtmoediger, wat minder als romeinsche had gedragen."

Want in de zesde week - daar kwam de doode zee in beroering onder den machtigen hiel van Hem, die staat op de aarde en op de zee en zweert dat er geen tijd meer wezen zal. De klok sloeg negen dien morgen, als altijd. Geen leeuwerik ontbrak in net koor; de hoeven tusschen de heuvels verborgen zonden hun rook rechtstandig omhoog naar de blauwe lucht; de linde stond schier roerloos onder het gewicht van den wolkenloozen hemel. Toch suisde de Julilucht door mijn kamperfoelie en stroomde mijn venster binnen, mijn gebogen hoofd streelend met geurige vingeren.

Daar zat ik en kon den wensch niet weerhouden dat deze morgen ruste Gods heel den langen da* of nog veel langer mocht duren. „Slaapt," dach? ik, „lange slapers, slaapt en onthef mij nog een poos van de drukking uwer oogen."

Sluiten