is toegevoegd aan uw favorieten.

Aurora Leigh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op eens, daar klonk een gil, een ijzige gil beneden in huis. Als een, die, in een graf ontwakend, met een gil tot zich zelf komt, zoo was het alsof het stille huis zich zelf levend gilde, of er een rilling langs zijn trappen en gangen liep, die de deuren deed slaan en de schellen in beweging bracht. — Met een sprong stond ik midden in de kamer tegenover een doodsbleek gelaat, dat met bevende, sprakelooze lippen zich in mijn deurpost vertoonde.

„Kom, kom," trachtten die lippen uit te brengen en ik volgde. Als ging een geest mij voor, in het duister met vurigen vingerspits wenkend, zoo daalde ik, met knikkende knieën, zwijgend de trap af.

Daar zat zij, mijn tante, rechtop in de stoel naast haar bed, waarop het kussen onaangeroerd lag. Voor deze haar nachtrust had zij geen bed gebruikt en toch rustig geslapen. Mijn God, wat zwijgende beschimping van het heldere zonlicht sprak uit die vale, vermagerde trekken 1 In haar vollen glans was de Julizon naar binnen gestroomd, toen Suzanna de blinden opende, niet vermoedend, wie daar met wijd geopende oogen achter haar zat. Daar zat zij — daar zat het, van zij spraken wij gisteren — een brief haar 's avonds door Suzanna gegeven met onverbroken zegel in de hand. Den ganschen nacht had zij hem vastgehouden. Of er nieuws in stond van een hertogdom of van een mestvaalt, zij zou blijkbaar geen vinger verroeren voor zulk een nietswaardig verschil. Neen, al werden de starren tot zonnen, die haar banen overschreden en het azuren gewelf als was deden versmelten, met al haar gloed zouden zij niet in staat zijn die open oogleden te doen knippen. Wat hadden die strakke, doffe pupillen het laatst aanschouwd? Welke aanblik had het gezichtsvermogen uitgerukt, alsof er na dezen niets meer waardig te zien overbleef?

Waren dit de oogen, die mij bewaakten, mij kwelden en pijnigden, mij voortjoegen uur aan uur en dag op dag, een ademlooze, geslagen, rampzalige ziel? En was