Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noch mijn broeders, al waren zij twintig in getal en u nog veel minder, al waart gij tweemaal mijn neef en eens Romney Leigh — mijn eer zuiver voor mij te houden. Gij staat vandaag tegenover een man, die inlichtingen vraagt, niet tegenover een vrouw, die bescherming behoeft. Spreek als man tot man, eenvoudig en kort en wees stipt met feiten en datums. Mijn tante heeft, zegt gij, deze som geërfd?"

„Ik zeg, dat die som bij haar sterven in haar be zit was."

„Dus niet geërfd — ik dank u. Zoo komen wij eindelijk tot feiten. Misschien heeft zij handel gedreven met een schip, dat met Australisch goud bevracht, is binnengeloopen. Of wel heeft zij even haar vinger in een loterij gewaagd en een of ander landgoed aan den Rijn getrokken. Of misschien had zij aandeelen in een onderzeeschen spoorweg, die vooruit winst afwerpt, zooals hij vooruit in de verbeelding bestaat; of mogelijk is haar een verjaarde familieschuld na een paar eeuwen onvoorziens uitbetaald. Gij schudt het hoofd? raad ik niet goed, neef?"

„Gij behoeft niet te raden, Aurora en niet te spotten ook. De waarheid zal u niet kwetsen, wees daar gerust op. Bij al uwe nauwgezetheid kunt gij toch geen reden aanvoeren, waarom uwe tante zich zou hebben moeten verzetten tegen een schenking van mij aanhaar."

„Ik dacht het — een schenking alzoo."

„Natuurlijk dacht gij dat, een zeer natuurlijke schenking!"

„Een schenking, een gift! Zij die niet wist wat behoefte was, veeleer in overdaad leefde en die te trotsch was, om zonder bepaald doel, een gift aan te nemen! O, ik doorzie het. 'tWas een gift voor haar erfgename bestemd en daarom aanvaard indien aanvaard. Ja, dat is mogelijk en o op die wijze zou ik toch gestrikt zijn? Maar meent gij, neef, dat ik het u ooit zal vergeven, indien gij mij aldus in het net hebt gekregen?"

Sluiten