Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergunning te erlangen, om hardop te zeggen: „Ziet gij wel dat wij honger lijden?" voor gescholden, mishandelde vrouwen om hare zuigelingen — nog geen weezen helaas — omhoog in het volle daglicht te heffen; vergunning ja voor een ieder om zijn deel te vragen — niet van den grond .... o neen maar van het zweet om hem te bebouwen; dit toch is heden ten dage reeds een gunst: onder Gods vloek alleen te mogen buigen. — Ziedaar mijn werk: tot aan de ellebogen in sociale problemen. Zooals gij uwe rijmwoorden samenvoegt, ga ik mijn inkomen aan behoeften vastknoopen en trachten de wereld weer in hare voegen te brengen; of schiet ik hierin te kort, dan toch de een of andere diepe spleet, die het twistvuur tusschen menschen en menschen op aarde doet gapen, te dempen of althans te overbruggen en daarmee een uitweg te vinden naar liefelijker oord. Ik ga mijn toevlucht nemen tot mijn armzalige redmiddelen: tot hospitalen, armenhuizen, kinderbewaarplaatsen, tot al die practische, half-goede maatregelen, welke gij, minnaars van het schoone en volkomene, stelselmatig verachtelijk keurt."

„Ik verachtelijk keur? Gij, Romney, veracht. Dichter wordt men alleen door niets te verachten. Gij maakt het hem tot verwijt, dat hij het goede van het schoone bezingt en verkondigt, en hij eert uw practisch, eenzijdig goede, als een deel van het schoone zelf. Vaarwel! Als God al zijn medewerkers op aarde zijn zegen geeft, zullen de dichters de laatsten onder de gezegenden niet zijn."

Hij glimlachte, zooals men glimlacht, wanneer men een bittere gedachte niet wil uitspreken. Nog voel ik het stil verwijt in zijn droeven blik. Het is thans zeven jaar geleden. Was het deernis of minachting, wat dien blik zoo ver doet reiken ? Zegt gij het, die meer van deernis dan van liefde, meer van minachting dan van haat weet te spreken. Ik voor mij ben later door hen, die mijn gelijken waren, op andere wijze

Sluiten