Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sharpe biedt mij zijn werk over „Sociaal Gedrag" aan en vraagt mij een kleine som gelds voor zijn dringendste schulden ; aan mij, die ter nauwernood in mijn eigen behoeften kan voorzien. De vurige wagen, waarin de kunst ons doet reizen, zengt maar al te vaak gaten in ons zangersgewaad; al vraagt ge mij ook om mijn mantel, Kate Ward. — Dat weet deze Rudgely hier, uitgever en schrijver. Hij is „gedwongen tot een huwelijk, waarbij zijn hart niet is, wijl de beurs ontbreekt daar, waar hij zijn hart heeft verloren." Ja, verloren, omdat het niet werd opgeraapt ; dat is wel een verlies en een onbeschaamdheid bovendien. — Mijn criticus Hammond verstaat de kunst van vleien en vraagt een werk aan het vorige gelijk. — Mijn criticus Belfair verlangt er een geheel ongelijk aan het voorgaande; een werk dat koopers zal vinden en — leven zal? Een treffend boek, dat toch het publiek niet verschrikt. Want „men" veroordeelt wat buiten de platgetreden paden gaat. Gij moet een welwillend, teergevoelig publiek niet onverhoeds een stortbad toedienen. Een boek vol goede gedachten, maar niet diepzinnig; nieuw en toch in behoudenden geest, een werk, dat zich even gemakkelijk laat lezen, als de bladzijden vol ezelsooren, die datzelfde publiek reeds meer dan vijftig jaar heeft beduimeld en dat toch in zijn soort een openbaring mag heeten : Dat is wat veel gevergd, criticus Belfair. — Wat verder? — Criticus Smith heeft bezwaar tegen afgetrokken denkbeelden. „Noem een man Jan, een vrouw Jannetje", zegt hij „en houd al die geleerdheid achterwege'. Ik noem dezen mijn criticus dus kortweg: Smith. — Mijn criticusJobson wil een vroolijker geschrift, omdat de tijdgeest een blijmoedig genie verlangt en alle ware dichters, als Shakespeare en de goden, homerisch lachen. Dat is een zeer zware eisch. De goden en Shakespeare mochten schateren, maar Dante glimlachte slechts, met een hart zoo lijdend en met zulke bleeke lippen,

Sluiten