Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met diepe levensvorens, die niet voegden in het jaargetij. De blos verdween van mijn wangen; mijn oogen schitterden in diepe, blauwe kringen; als een aangeschoten vogel schokte mijn bloed door de blauwgeaderde pols. Onwrikbaar ernstig is de jeugd, als zij haar ideaal in het aangezicht staart, en wanneer de menschen kwamen en zeiden: „gij werkt te hard, gij ziet er niets goed uit," dan had ik slechts een meelijdenden glimlach voor dat medelijden ten beste; dan dacht ik, dat ik door dat slechte uitzien weldra beter zou varen. Want „ik", beteekent in de jeugd niets dan het „ik" : de bewuste, eeuwige ziel met al haar streven; niet het uitwendige leven, de gedeeltelijke mensch, het vleeschelijk bekleedsel, het zooveel lever, long en huid, dat later de som van het „ik" uitmaakt als „men ' van wel ot slecht te varen naar de wereld spreekt. Ik vaar wel, als ik één stap vooruit kom, al dringt mij daarbij ook een spijker in den voet. Ik vaar wel, al zijn mijn hersenen verstijfd of verlamd bij het omvatten eener waarheid. Alleen verander ik maar van werktuig. Breek ik de spade bij het diepe delven naar goud, welnu, dan grijp ik naar het houweel.

Ik arbeidde voort, voort. Geen acht gevend op de spijlen, die mij kwetsten, werkte ik mij door het staketsel van nachten en dagen heen, dat den tijd van de eeuwigheid afperkt. De lampolie stonk somwijlen in het middernachtelijk uur; eenige alledaagsche nooden riepen luide om bevrediging. Ik moest leven om te kunnen werken en, arm zijnde, moest ik, om te kunnen leven, met de eene hand voor de boekverkoopers arbeiden, terwijl de andere in dienst van mij zelve en de kunst werd gesteld. Wilt gij vooruitkomen, dan moet gij zwemmen met handen en voeten tegelijk. In Engeland, dit ondervond ik, kan niemand bij levende dichtkunst alleen het leven houden, en deze ondervinding deed mij besluiten door proza ruim baan voor mijn levend dicht te

Sluiten