Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Denkt gij er zoo over?" sprak zij, „welnu dan, vaarwel. Schrijf in vrede uwe boeken, zoo weinig mogelijk door een geheimen prikkel gedreven, die mij nu duidelijk wordt. Want dat ik, hier komende, mij in den weg vergiste, het is mij thans maar al te klaar." Daarop raakte zij even mijn hand aan, boog tot afscheid en dreef heen, als een donderwolk op een zomerdag

Ik haalde diep adem, bevrijd en toch nog door een looden last gedrukt. Deze vrouw breekt met de sociale wetten, waaronder zij leeft, ter wille van wat zij liefde noemt — de eenige, waartoe eene, als zij, in staat is. Maar leliën blijven leliën, al wordt hare blankheid ook door morsige handen bezoedeld. Zou zij in hare soort niet beter zijn dan Romney, die naar een geteekend plan leeft en door elke vrije uiting van zijn eigen individueele leven met een algemeene formule een streep heeft gehaald? Alsof de mensch, hoog boven den medemensch verheven, Gods rekening had op te maken en bij millioenen tegelijk moest voelen! Hoe, indien zelfs God meest God ware door zich zei ven uit te leven tot een individualisme van het oneindige; eeuwig, alles doordringend, onuitputtelijk? Hoe, indien hij de tallooze wereldbollen als vlokken vonkelend schuim in het rond strooide, enkel om aan den drang zijner eigen innerlijke natuur te gehoorzamen; indien het geschapen liefdewerk slechts bewijs en uitvloeisel van ingeschapen leven ware? — Zoo leef dan ook gij, Aurora!

Twee uur later stond ik alleen, dicht gesluierd in St. Margaret's Court. Een ziekelijk, huiverend kind, dat met een ouden koperen knoop in de magere handjes op een plekje, waar wat zon scheen, zat te spelen, riep mij in het voorbijgaan een schimpwoord toe. Een vrouw met blanketsel op de hoekige kaken en een gemeenen trek om den mond, zat, een gescheurden halsdoek, waarop dunne lokken zwierden,

Sluiten