Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Te zwaar een smart voorwaar, God voor zulk een zegen te moeten danken.

Zoo ging Marian's leven jaar op jaar voorbij. Haar ouders namen haar mede, wanneer zij als landloopers aan het zwerven gingen, de groote wegen en vlakten vermijdend, steden en jaarmarkten bezoekend. Eens gingen zij verder dan gewoonlijk en zagen zij Manchester; en eens de zee, die blauwe wereldgrens, die heerlijke laatste bladzijde van een onwaardig boek; — tweemaal de gevangenis en dan nu en dan weer terug naar hun heuvels. Heuvels trekken als de hemel, ja sterker soms; zij strekken de handen uit, om u uit de laagte tot zich op te heffen. En al mocht het dan zijn, dat deze zwervers slechts als schapen instinctmatig den ouden, welbekenden weg weer insloegen, toch voelden zij, uit het vuil der steden komend, gewis onbewust, dat het hun goed deed zich door het grastapijt hunner bergen het slijk van de voeten te laten wisschen. Op deze tochten leefde en leerde en leed en leerde Marian. Onderweg vroeg deze en gene haar bij wijlen, waarom haar oogen grooter dan haar wangen werden en of zij de vogels in haar lokken wou laten nestelen; en dan werd zij voor een mijl of twee door den molenaar op zijn kar, of door den slachter op zijn paard getild. Vaak ook hield de marskramer haar staande, tikte haar op het hoofd met zijn bruinen, met ringen bedekten voorvinger en vroeg haar of zij misschien lezen kon. Zeide zij „ja" dan wierp hij haar uit zijn pak een of ander daarin verdwaald, loshangend boekdeeltje toe — Thomson's „Jaargetijden" bijv. beroofd van de Lente, of een halve tragedie van Shakespeare, dwars doorgescheurd, zoodat zij menigmaal uit de bovenste helft van het blad de onderste moest raden; een taak, al even licht ongeveer, als, op de maan gezeten, te raden wat de aarde is. Ook kreeg zij wel eens een handvol losse bladen, midden uit een boek gescheurd, een dun schoofje aren voor deze kleine

Sluiten