Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen zij tot bewustzijn kwam, was de nacht — niet haar levensnacht — voorbij. Zij werd een zware, stootende beweging en het kraken van wielen gewaar. Zij hoorde de stem van den voerman zijn traag tweespan aansporen, welks rinkelende bellen haar als tegen het hoofd sloegen. Door de reten en den huif van den wagen zag de wreede, gele dageraad neer op haar, die daar half dood, half levend op het stroo lag, tot haar ziel bij die gewaarwording in het duister terug kromp met de bede: „O, dat niet meer!" Een vrachtrijder had haar bij het schijnsel der maan in een greppel gevonden, bleek als het maanlicht zelf, maar hier en daar met bloed bevlekt. Eerst dacht hij dat zij dood was, maar toen hij haar het bloed van den mond had gewischt en daaruit een zucht had opgevangen, had hij haar opgenomen en in zijn kar op stroo gelegd, haar voerend naar een afgelegen stad, waarheen zijn zaken hem riepen en waar hij zijn rampzalig vrachtje in een hospitaal achterliet.

Daar was zij wat meer tot zich zelve gekomen. Het was alles rondom haar nieuw en vreemd als de dood. Haar eigen smalle witte krib, met al die smalle witte kribben in het rond, 't leek haar een kerkhof, waar graf naast graf wordt gedolven. Rustige gedaanten gingen uit en in, spraken met wonderzachtë stemmen, liepen met nauw hoorbaren tred, naar het scheen aan ieder gelijke zorg wijdend, 't Was alles orde, stilte, regel om haar heen en als een zachte hand haar drinken bood, nam zij het aan met dankbaar ontzag, zooals men den beker aan het heilig avondmaal aanneemt. Zij kende geen liefde genoeg, om zelfs den vorm van liefde en vriendelijke manieren te kennen. Frissche dranken, fijn wittebrood, waarop zij hier en daar een stervenden blik zag rusten — mijn God, wat moet een mensch ellendig zijn, eer hij van den evenmensch goedheid en rechtvaardigheid ondervindt. Mij dunkt,

Sluiten