Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trad er een man binnen en stond voor het bed. De oude simpele ziel riep met flauwe stem, als een kind, dat bang is gesmoord te worden : Zie mij toch niet aan voor het lijk, mijnheer; kom mij niet begraven. Al lig ik hier, ik ben even levend als U, behalve mijn armen en mijn beenen. Ik eet en drink, en begrijp heel goed, dat U voor de begrafenis komt. God zij u genadig, mijnheer, ik zou nog veel meer levend zijn, als Lucy — hier, Lucy is het lijk, mijnheer harder gewerkt had, om wijn voor mij te koopen, Maar Lucy werkte nooit hard; ik zal niet veel aan haar verliezen. Spreek toch, Marian Erle, en wijs mijnheer het lijk."

Daarop klonk een stem: „Marian Erle" Zij

trad naar voren — het was de ure der goede gees*en daar stond de hare. Het verwonderde haar ternauwernood Romney I,eigh te zien. Hij kwam ongeroepen, overal waar geleden werd, als Novembersneeuw in het verlaten nest, als het gras op de graven, het mos op den verweerden steen, de Julizon in de spleten der bouwvallen, als de engel der vertroosting tot wie in rouw is gedompeld, als de Hemel zelf tot den mensch in stervensnood. „En zoo ontmoeten wij elkander opnieuw," zeide Marian, er zachter bijvoegend : „om niet weer te scheiden".

Hij keurde het niet af, dat zij de betrekking had verlaten, waarin hij haar had geplaatst. Wel, zij had gevreesd, dat hij er boos om zou zijn. Ook scheen hij goed te vinden, dat zij, nadat de doode was begraven, de half-doode bleef verplegen. Men kon die rampzalige, bedlegerige stumper, bedorven naar lichaam en ziel, die, omdat zij er weinig baat bij vond, voor het goed, dat men haar deed, slechts schimpwoorden over had, zóó arm aan vreugde, dat zij zelfs God niet dankte, toch niet aan haar lot overlaten. Hij zeide wel niet, dat hij het goedkeurde, maar hij veroordeelde het niet, want hij kwam dag aan dag en met eiken dag voelde zij meer innigheid

Sluiten