Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en teederheid in zijn blik en toon, totdat hij ten laatste tot haar zeide: „Wij zullen niet meer scheiden."

Op dien dag was Marian's taak volbracht. Zij had het ledige bed in orde gebracht, het zaagsel der kist van den vloer geveegd, de stoel der grommende oude te recht gezet en stond nu met den sleutel der deur

in de hand, gereed om heen te gaan als die beide

al was ook hun weg nog niet de hare.

„Marian, sprak hij, „God heeft ons allen uit één leem gemaakt, al hebben de menschen er ook in gekneed en geknoeid, zooals kinderen met nat zand doen, en daarna hun maaksel tot feiten gestempeld; standverschil, titels en privilegiën scheppend, waar niets dan klinkklare modder is. Ten laatste keeren wij toch allen tot de oude eenheid terug; de doodgraver is daar om het te bewijzen, als hij met zijn spade alles effent. Waarom zouden wij daarop wachten; gij, Marian en ik, Romney?"

Zij zag hem onzeker, vragend in het gelaat, zooals men, door de najaarsbuien heen, den hemel zoekt. Hij ging voort:

,.Marian, al heeft het snoode zwaard, dat het hart van Christus doorboorde, de wereld in tweeën gescheiden ; klasse tegenover klasse, rijken tegenover armen gesteld, waarom zullen wij, ik van geboorte, wat men een edelman noemt, gij uit het edele volk gesproten, waarom zullen wij gescheiden blijven? Neen, laten wij veeleer elkander steunen en helpen, samen de bloedige lippen van deze gapende wond trachten te sluiten, zoover dit twee menschenzielen gegeven is; ja laten wij ons tot elkander buigen, ik van uit mijn overvloed, gij van uit uw armoede; ons vereenigend in een protest tegen het onrecht, dat aan beide zijden bestaat.

Wat hij verder zeide, wist zij niet recht, want hij nam hare hand onder het spreken in de zijne en daardoor bonsde haar hart zoo hevig tegen zijn woorden in, dat hij ze even goed in het stof had kunnen

Sluiten