Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^ herinner mij, hoe vreemd zijn „goeden nachtmij toeklonk, toen wij aan mijn woning scheidden.

et geleek een „goeden nacht" naast een sterfbed gesproken, waar de morgenzon geen nieuwen goeden

•u1u ™eC» br?nSen zal- Dl'en ganschen nacht herhaalde

ik bij mij zelve: goeden nacht, zeide hij."

Zoo verliep een maand. Laat ik het rondweg bekennen. ik heb verkeerd gedaan, verkeerd. Wij doen altoos verkeerd, als wij teveel denken, aan wat wij denken en zijn. Onze gedachten mogen bitter zijn, als zelfopoffering, wij zijn er niettemin zelfzuchtig om. Of wy op een rots of een rozenbed slapen, wij zijn luiaards zoo wij den dag verslapen. Ik heb schuld; ik erken het. Ik had mijn plicht gedaan door Marian te bezoeken en was bereid bij het huwelijk tegenwoordig en &e^uiSe te zijn; dit, meende ik, was voldoende. Ik had in deze zaak zelfs meer gedaan dan strikte rechtvaardigheid eischte: Lady Waldemar had geen dienst gehad van haar werktuig; 't was niet krom genoeg gebleken voor het slot, dat zij er mee open wilde breken en voor arme Marian Erle kon ik verder niets doen. Over het geheel was ik niet onedelmoedig, niet onhartelijk geweest. Zoo was net genoeg. Ik voelde me vermoeid, overwerkt. Dit huwelijk ontstemde mij, of deed het dit al niet... wel, wat had ik met al de drukte der bruidsdagen te maken. Wat raakten mij hun plannen, al het overleggen waar men heen zal gaan en waar men zich vestigen zal en hoe gelukkig men overal zal zijn? Dit alles was hun zaak ; de mijne niet, Ik wendde mij naar de andere zijde, als eene, wier taak is afgedaan en de oogen sluit om beter te kunnen rusten. Ik, die het ongeluk had kunnen, had moeten voorzien! Waar wij ontkennen s broeders hoeder te zijn, daar zijn wij zijn

Ik had het arme kind wat langer aan mijn hart kunnen houden, al mocht het mij ook pijnlijk hebben aangedaan, daardoor den trouwdag te verhaasten.

Sluiten