Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minst teedere van Christus' lammeren tot voedsel te verstrekken.

Ik had moeten bedenken, dat een vrouw van de wereld als zij, die ik op het oog heb, zich zelve tot middelpunt heeft, haar halve leven zelfzuchtig en eigenwillig om eigen spil heeft gedraaid. Van verre lijkt zij een windmolen, wiens fijne blanke wieken, zacht, onhoorbaar, rein en schoon, blinkend tegen de blauwe lucht wentelen. Van nabij, — wat een geraas en gekraak, wat een stampen en kneuzen! Heeft zij eindelijk waarlijk lief, dan is haar liefde niets dan een versterking van haar eigenliefde; het voelen van behoefte aan een ander tot eigen voordeel, even als de molen graan, het vuur brandstof, de wolf prooi behoeft. En geen van dezen zoo gewetenloos als zulk een bevallige vrouw, wanneer zij bemint 1 Meent gij, dat zij zich door een hinderpaal, zoo onbeduidend als haar ziel, zal laten weerhouden? En door de uwe nog minder gewis! Zou God een bezwaar voor haar zijn.' Wel, zij bemint u, niet God. Zij zal voor Hem niet wijken, zij heeft het zelfs voor de markiezin van Perth niet gedaan, toen zij kaartjes voor het fancyball verlangde. Zij heeft u lief, Mijnheer, hartstochtelijk, onzinnig lief; bijna zoo lief als haar juweelen.

Zoo verliep een maand, en toen kwam het bericht, dat op dien en dien dag het huwelijk in de kerk zou voltrokken worden. Half St. Giles in baai en katoen was uitgenoodigd, om St. James in zijde en goudlaken te ontmoeten en zich na de huwelijksinzegening aan een bruidsmaal op Hampstead Heath te vereenigen. Het volk liet zich niet bidden. Het kwam in grooten getale; lammen, blinden, zieken en zwakken, bedroefden, ellendigen — en erger. De sociale wond drukte al haar boosaardige sappen op Pemlico uit en besmette de aristocratische atmospheer met haar afschuwelijke uitwasemingen, 't Leek een aan de pest gestorven geslacht, bij klaarlichten dag uit het graf gedreven met de vlekken van den dood overdekt. Welk een aanblik!

Sluiten