Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zien, hymnen van stilte ten hemel zendend en door het bloed der avondzon gedrenkt; grootsch torso, waarvan de hand eeuwigdurend een zilveren stroom nederzendt, die den ganschen omtrek besproeit en verkwikt. Niet anders is het met den tijd, waarin wij leven: te grootsch om van nabij omvademd te kunnen worden.

Maar dichters behoorden dubbelzieners te zijn; oogen te hebben om het naastbijgelegene even breed op te vatten, alsof zij het van verre beschouwden, en het verwijderde even scherp te onderscheiden, alsof zij het met de hand konden bereiken. Ik stel geen vertrouwen in den dichter, die in zijn eigen eeuw karakter noch glorie ziet; die zijn ziel vijfhonderd jaar doet terugrollen, door slotgracht en over ophaalbrug heen, om op het voorplein van het kasteel — o, niet een hagedis of kikvorsch, levende in de sloot daar, te bezingen; dat ware vergeeflijk — maar den een of anderen norschen hoofdman, half ridder, half schapendief, of de eene of andere schoone slotbewoonster, half lijfeigene, half koningin, beiden al even levenloos als de voor 't meerendeel dood geboren gedichten aan hun ridderlijk gebeente gewijd. Geen wonder, de erfenis van den dood is de dood.

Neen, zoo er in deze overbevolkte wereld nog plaats is voor dichters (en dat geloof ik vast), dan is de eenige, hun aangewezen taak vertegenwoordigers te zijn — niet van de eeuw van Karei den Grooten — maar van hun eigen, hun van leven trillende eeuw, die raast en snoeft en tot waanzin voert, die berekent en naar het hoogste smacht; tusschen de spiegels van wier gezelschapzalen meer hartstocht, meer heldenvuur gloeit, dan Roland met zijne ridders te Roncevaux ten toon spreidde. Zich van het moderne vernis, van overjas en overrok af te keeren, en slechts van middeleeuwsche kleurenpracht of van toga en tunica te willen weten, is doodend voor de kunst en belachelijk tevens. Koning Arthur in persoon was voor

Sluiten