Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik arbeidde in mijn eenzaamheid voort. Wind, stof en zon verschroeiden mij het gelaat; de hoop nu voor dan tegen mij, sleepte mijn geest als een gevallen luchtballon mede, door dorre en bloeiende struiken ge ïjkehjk gehavend. Soms scheen ik mijn doel schier te bereiken en edelmoedige zielen vuurden mij aan en riepen : „Wees sterk, verlies den moed niet, dra zijt ge op onze hoogte; nog één stap en gij zijt gered. De lof dreef mij voort, maar een oogwenk slechts rustend om adem te scheppen, kon ik toch de verzuchting niet weerhouden: „Is dit al wat vol bracht en al wat verworven is? Is dit nu succes? dan is het droeviger nog dan falen!"

O ! mijn God, mijn God. o hoogste kunstenaar, die voor het grootsche wonderwerk uwer schepping van ons niets dan een woord. .. een naam ... den vadernaam vraagt; mijn vader, gij, gij alleen beseft, hoe innig droef de vrouw kan zijn, die in het winteravonduur aan haar eenzamen haard gezeten, zich van verre door de volkeren hoort prijzen. Te ver helaas!

oort prijzen om den gloed, waarmee zij de liefde weet te schilderen, om dat vurig beminnend vrouwenhart, dat zoo niet kloppen kon in haar lied, als het niet daar was op haar ongekuste lippen, in haar oogen, waaruit de traan niet werd gewischt, omdat er niemand is, die haar vraagt, wat haar weenen doet.

11 u tC • z'tten en z'°h tot opbeuring voor te stellen, hoe in datzelfde avonduur een minnend paar, de hoofden tegen elkaar geleund en half luisterend naar elkanders ademhaling als naar zachte muziek, samen lezen in het boek, dat wij hebben geschreven en nu en dan elkander getroffen in de oogen zien, a s zij uit een of ander vers hun eigen gedachte ooren spreken, hun eigen stemming voelen vloeien : — „Zoo voel ik voor u". — „En ik voor u; deze dichter weet wat onvergankelijke liefde is!" — Of oe een vader, van den donkeren, guren buitenweg zijn vroohjk verlichte huiskamer binnentredend, uit

Sluiten