Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de juichende kinderschaar eerst het jongste in de hoogte tilt en met zijn besneeuwden baard het warme, weerstrevende kinderkopje kust, en daarna zijn oudste, die achter haar fluweelen wimpers sedert kort een nieuwen en nog zachteren glans zoekt te verbergen, ons boek in den schoot werpt en zegt: „Daar, gij houdt van gedichten; daar hebt gij gedichten, om als April in het land is, onder een boom te gaan liggen lezen. Ik hoor, zij zijn beter dan anderen; zij doen de harten snel, maar niet onrein kloppen. Het boek is voor u; ik zal er uw naam in schrijven, dan vergeet ge, hoe ver ook door de dichteres in het droomenland gelokt, niet hoe uw vader ook u niet vergat, toen hij uit stad komend huiswaarts reed."

Onze boeken, aldus door de liefde geprezen, met de liefde verbonden te weten en zelf vreemd aan liefde te zijn! Dat is hard, meent ge ? — Vroolijk is het zeker niet. Men heeft gezegd, dat ook roem niets dan liefde is, maar het was een man, die het zeide. En dan, daar is liefde — en liefde. De liefde van allen (om op mijn beurt eens een vrouwenparadox te wagen) is klein bij de liefde van éénen. Zeg aan een hongerig kind, dat het tevreden moet zijn met de erfenis van een aantal korenvelden; wat baat het 1 het blijft krijten dat het honger heeft. Het heeft liever dat gerstenkoekje, dat gij in de hand houdt, terwijl gij zijn oogsten optelt. Zoo gaat het ons ook; (ook hier, Romney, kunnen wij het geheel niet omvatten !) wij hebben honger.

Honger... maar dat is armzalig, dat is laf, als ongespeende kinders te schreien en op onze duimen te zuigen, omdat wij voedsel verlangen. Wie heeft nooit honger geleden in deze wereld, waarin wij misschien juist zijn geplaatst, om te bidden en te vasten en te leeren wat goed is, door het tegenovergestelde te ondervinden. Wee hem, die zich door het maal bevredigd gevoelt. Is Ugolino verzadigd, dan heeft hij in iets afschuwelijks, iets onnatuurlijks

Sluiten