Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

¥

ik ; — goeden nacht Sir Blaise! ha, Smith — hij is al weg; — ik zag u van verre en bleef waar ik was, Miss Leigh, om een troep leeuwenjagers, die uw schuilplaats ontdekt hadden, van u af te houden. Daar waren er drie. Allereerst een enorme dame; vijf voet, tien — en dik 1 Zij heeft een duivel daarbinnen, (er is plaats genoeg voor hem) die haar van het eene einde der aarde naar het andere, van Chipewa naar China drijft. Zij had gaarne uwe autographie op een gekleurd blad, tusschen die van koningin Pomare en keizer Soulouque in. Geef haar haar zin, want hoe zwaarlijvig ook, zachtzinnig is zij niet, en ik voor mij zou liever een hooischelf zien branden, dan zulk een vrouw in een booze bui zien. Vervolgens was er een jonkman, kersversch uit den achterhoek, groen als gras. Hij smeekt, Miss Leigh, ootmoedig u den schoen te mogen kussen, en voegt er bij, dat hij een epos in twaalf zangen heeft, en dat gij het zijn laars zult doen, zoodra gij het gelezen hebt. Voor dit alles heb ik u bewaard; in de volgende week zal ik man en manuscript beiden voor mijn rekening nemen, want een lord geldt bij een rooden republikein altijd nog meer dan een dichteres. Ha, eindelijk glimlacht gij toch!"

„Ik dank u."

„Laat den glimlach blijven; ik schenk er u den dank voor, en geef u op den koop toe mijn transatlantisch meisje met haar glinsterende oogen, die u, als de goudkleurige stamper van een waterlelie, tot haar schitterende blankheid heentrekken. Die meisjes van over den oceaan zijn onweerstaanbaar mooi, en ik heb gezworen, (zij scheen mij een openhartig, eenvoudig kind) dat ik haar bij u zou brengen, om u een hartelijken kus te geven, niet nu, maar op een anderen dag van de een of andere week. 't Is meineed, dat weet ik, maar ik zal haar laten loopen."

„O neen, breng haar gerust."

Sluiten