Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ziedaar, nu maakt gij het moeilijk zooveel goedheid met eene morsige hand aan te raken. Ik meende u te kwellen en duchtig boos te maken, en als ik dan zelf met alle recht ook boos op u geworden was, zou ik, dacht ik, moed genoeg verzameld hebben, om u iets te zeggen, wat u nog meer zal ergeren.

„Van Romney?"

„Neen, neen, van hem valt niets slimmers te zeggen dan wat overal gemompeld wordt; dat ook hij zich heeft laten vangen, als zoovelen, die heel wat minder wijs zijn dan hij. De zaak, waarover ik spreken wilde, betreft u, niet hem."

„Betreft mij?"

„Mij ? herhaalde hij. „Dat klinkt alsof men een steen in een uitgedroogden put hoort vallen, lusteloos er in geworpen door een, die zich niet bekommert om de pad, die op den bodem leeft. Aanstonds zal dat „mij" misschien zoo hoog en trots klinken dat ik er van beef."

„Is Lord Howe dan de pad in dit geval?"

„Kom, wij zullen de zaak ernstig behandelen Maak wat plaats voor mij naast u op de sofa en luister rustig toe. Gij kent John Eglinton van Eglinton in Kent?

„Is hij de pad? — hij heeft meer van een slak, voornamelijk bekend door het huis, dat hij op den rug draagt. Scheidt den man van het huis, gij doodt

fj.f11311' ^at 's Eglinton van Eglinton, Lord Howe."

Hij antwoordde op ernstigen toon: „Een geacht man, een voortreffelijk landheer van den ouden stempel, al is hij ook wat achterlijk in nieuwerwetsche pnilantropie. Op zijn verjaardag geeft hij zijn pachters een bal, maakt het hen lastig, als zij niet naar de kerk gaan, of hun kinderen van de catechisatie houden, maar is goedhartig voor de arme oudjes als zij hout sprokkelen langs den weg; ja, ik heb hem hooren zeggen: „dat moedertje heeft pijn in

Sluiten