Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den rug van het bukken ; dat is straf genoeg voor haar dieverij."

„Welk een teerhartig landheer! Mocht ik ook tot zijn pachters gerekend worden, als het tijd is om brandhout voor den winter te garen!"

„Hij houdt van kunst, koopt boeken en schilderijen ... van een bepaalde soort... verzuimt geen enkelen openbaren plicht, is een goed zoon ..

„Van een allergehoorzaamste moeder. Geboren om in de schoenen zijns vaders te staan, draagt hij die van haar echtgenoot ook. 't Moet aandoenlijk zijn, naar ik hoor. Mijn beste Lord Howe, gij moogt mij nooit aldus tegen uw hart in prijzen, zelfs niet als ik aan lof en brandhout gebrek lijd."

„Wees niet zoo bitter tegen mij, want... om kort te gaan ... ik heb een brief, dien hij mij zoo dringend verzocht u te geven, dat ik moeilijk weigeren kon. Hij beweerde, dat een nieuwe liefde door de hand van een oude vriendschap gaande, aan deze een aantrekkelijken geur ontleent."

„Liefde, zegt gij? Daar weet ik niet van, Mylord; ik weet slechts het rijmwoord op liefde te vinden en dat is geen liefde, waarde Lord. Daar, neem uw brief terug."

„Stil, lees hem eerst."

„Ik wil hem niet lezen; 't is niets dan een exemplaar van zijn soort. Hij heeft hetzelfde aan weet ik wie al geschreven: — aan Anna Blythe, de actrice, toen zij zoo natuurlijk dood ging, dat een hertogin in haar loge flauw viel; — aan Pauline de danseuse na de beroemde pas, waarin men haar kleine voeten, tot verbazing van het parterre als vuurvliegen boven haar hoofd zag flikkeren; — of aan Baldinacci toen haar F in alt als een vlijmende schicht het luchtruim kliefde, zoodat de koningin met een zucht van verrukking hare witte glacé handschoenen tegen elkander drukte; — of wel aan Aurora Leigh, wanneer een paar onbeduidende coupletten, zooals ter eere van

Sluiten