Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat gelaat blijft mij vervolgen, drijft telkens weer boven in mijn geest. Het gelijkt Marian, zooals de doode de levende gelijkt. Want het was het gelaat van een mensch; 't was geen geest, hoe plotseling het ook weer verdween. Het smalle gezichtje tusschen het donkere haar, dat, toen ik het voor de eerste maal zag, mij deed denken aan door de maan beschenen water in een wel. Het lage voorhoofd, de bruine oogen met die aandoenlijke lijdende uitdrukking van een geplaagd, geslagen dier, — o, nu herinner ik mij duidelijk, hoe groot mij vandaag die oogen voorkwamen, 't Was alsof een hartstochtelijke maar stille wanhoop hen al wijder en wijder had gebrand, zooals een gloeiende kool, op een tapijt gevallen, onmerkbaar een gat schroeit, dat al grooter en grooter wordt. En die oogen — ik weet het zeker — zagen ook mij, herkenden mij met volle bewustheid, zooals ik hen herkende. Een schepping nu van onze fantasie, een zinsbegoocheling, is passief, reageert niet; wordt gezien, maar ziet zelve niet.

't Was een wezenlijk gezicht, misschien een wezenlijke Marian.

Maar in dat geval ben ik verplicht aan Romney te schrijven: „Marian is hier; gij behoeft over haar niet langer ongerust te zijn."

Ik liet de pen vallen en drukte de handen tegen elkaar, in pijnlijke gejaagdheid. Kon ik hevt de halve waarheid schrijven ? Kon ik mijzelve diets maken, dat ik de andere, de noodlottigste niet had gezien? Moeten wij, om bedaard recht voor ons uit te kunnen gaan, zonder voor ieder kiezelsteentje of dor blaadje te schrikken, oogkleppen dragen, feiten loochenen, zes tienden van den weg bedekken ? — Durf de waarheid onder de oogen zien, mijn ziel, en erken: zoo waarachtig als dit Marian's gelaat was, zoo waarachtig klemde deze Marian iets in de armen vast, dat zóó niet door haar armoedige shawl werd bedekt, of ik kan het bij zijn naam noemen.

Sluiten