Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschonden in een sloot terecht gekomen, vindt, uit hare onmacht ontwakend, een kleinood, dat door den geweldigen schok haar diep in het vleesch is gedrongen, en een goed man — dat is God — de beste menschen zijn niet half zoo goed — komt en zegt tot haar: „ik heb dat kleinood daar doen nederzinken; neem het, behoud het, het zal een

vergoeding zijn voor uw verlies" moet gij, gij

allen dan den vinger gaan opsteken en roepen: „Houd de dief, zie eens wat kostbaar sieraad zij heeft geroofd; wat zijn die meisjes toch slecht, toch diep gezonken?" O mijn bloempje, mijn lieveling, hoe durf ik vergeten, dat ik u in de armen heb, en mij boos maken op de menschen en u verschrikken door mijn heftigheid, zoodat gij een lipje trekt! Dat, dat is slecht, een stoute moeder te wezen."

„Gij vergist u, Marian", viel ik in; „had ik u niet lief, ik zou zeker niet hier zijn gekomen."

„Helaas, zeide zij, „gij zijt zoo goed, zoo goed. En toch wenschte ik dat gij niet waart gekomen, om mij aan het snikken te maken tot ik mijn kind bedroef. Het is niet goed voor die teere plantjes, om reeds zoo vroeg in den morgen door onze zilte tranen te worden besproeid. En daarbij — wie weet, of hij nog wel zoo veel van mij houdt, als voordat hij mij boos heeft gezien. Men ziet er zoo leelijk uit, als men huilt en zich driftig maakt. Hij heeft de oogen die de engelen hebben, maar de zijne zien minder diep en daarom houd ik altijd een soort van glimlach voor hem gereed, zooals men een takje in een vaas zet, om te doen of het daar groeide. — Zie, mijn schat, mijn hartedief, moeder kijkt niet meer boos; daar is het gezicht weer, waar je altijd zoo van hieldt; ha, hij lacht weer, hij houdt weer van mij als te voren. O miss Leigh, gij zijt groot en rein, maar al waart gij nóg reiner, al zoudt gij zelfs niet dulden, dat een blinkend wit stofje van het Nieuwe Jeruzalem zich ooit aan een slip van uw gewaad hechtte, het kind

Sluiten