Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn aardsche omwandeling verhaalt, deelde zij mij hare laatste lotgevallen mede.

Zij zeide mij, hoe zij knielend bemind had; hoe haar liefde louter en in den volsten zin des woords aanbidding was geweest; hoe zij zich de zijne, neen het zijne, niets dan het zijne had gevoeld, zijn werktuig, zijn voetbank; den beker dien hij naar welgevallen met wijn of azijn mocht vullen. Zij kon slechts genieten wat hem begeerlijk scheen. Wilde hij zijn naam op haar schrijven en haar op zijn boekenplank zetten, welk een voorrecht te mogen staan wachten tot hij de hand naar haar uitstrekte! Ik had haar gezien in die dagen; brandde haar levensvlam niet helder door de liefde, waarop ze dreef; als het pitje, dat door de olie, waarop het drijft, gevoed wordt tot een vlam, die den ganschen nacht licht verspreidt?

Goed te doen scheen zoozeer zijn element te zijn, dat het gedaan te hebben — vleide zij zich — aan zijn vatbaarheid voor vreugde geheel voldeed. In 't eerst vroeg zij dan ook zich zelve niet af, of hij gelukkig was — want hij maakte het haar. Evenmin of hij haar beminde — vermits hij zóó werd bemind. Wie denkt er aan te vragen of de zon licht is, terwijl hij ziet, dat zij licht geeft? Meer nog, wie durft aan Gods gelukzaligheid twijfelen? En zoo nam zij als iets, dat van zelf sprak, aan, wat zij vóór alles had moeten onderzoeken en door bewijzen had moeten zien gestaafd. Daarin had zij zich tegen hem bezondigd, maar ook daarin alleen. Maar wat kon men van een als zij ook verwachten? Gij laat een geitje ^ vrij rondloopen in een sierlijk aangelegden tuin; 't is een lief mak dier, maar toch zal het in de bloemperken springen en de tulpen vertrappen en aan de jonge boompjes knabbelen, 't Zou wonder zijn als zooveel onnoozelheid minder schade aanrichtte. Een tuin is geen plaats voor geiten.

Maar van lieverlee, nadat hij, die haar had uitver-

Sluiten