is toegevoegd aan uw favorieten.

Aurora Leigh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wier trillende inwendige donkerheid onmiddellijk vanéén spleet. De trein stoof er binnen, dreunend en hijgend, zijn schril gefluit als een jammerkreet uitgalmend, tot de sidderende duisternis het smoorde en tot zwijgen bracht. Wij zaten angstig, beklemd, ter nauwernood ademhalend, gelijk Titans, door den reuzenlast van het gebergte als door een nachtmerrie gedrukt. Eindelijk de opening — en zie, daar grauwde de dageraad over de vredige landouw.

Wijd en zijd spreidden zich onbelemmerd de wijnen korendragende heuvels uit, u uit naam van Frankrijk als tot een gastmaal noodend, terwijl van hun flanken, tot wijding van al dat groen in het rond, een grond, rood als grooten Karel's ridderlijk bloed afvloeide. Iemand zei „Marseille" en zie, de stad Marseille met het mastbosch harer schepen tot achtergrond, en de eeuwig glanzende zee als een kromzwaard aan haar rechterzij, teekende zich af tegen de blauwe lucht.

Den volgenden nacht brachten wij tusschen den purperen hemel en het purperen water door. Marian sliep, geloof ik, maar ik, waakzaam als een hond die niet kan eten of slapen vóórdat hij 's meesters voetstap heeft gehoord, zat op het dek en staarde in den sterrennacht, acht gevend of ik mijn Italié ook nader hoorde komen. Het klokkengelui, waarvan ik sprak, klonk flauwer en verder, zooals het rollen van een kinderwagen beneden op straat in het oor van den man, die het stervensuur beidt, een geliefde hand in de zijne houdend. Ook ik zat daar roerloos, zwijgend, als met vrede den dood wachtend; ik kon mijn eigen ziel hooren spreken. Ook ik had een vriendin aan mijn zijde ; de natuur komt somwijlen en zegt: „God heeft mij tot u gezonden." Ik voelde de zachte koelte, die uit het land der zielen tot mij over kwam suizen. Van lieverlee doemden de oude, sagenrijke bergen op langs de kust, den weg der grootsche Odysseesche helden. Zij drongen boven

'5