Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telende duisternis strooien, terwijl daar in den hooge de rustige, betrouwbare sterren die flikkerende liefd^elichtjes overschijnen; de klagende uilen (bestond muziek uit één droefklinkende noot, zij zou dien toon doen hooren); het zwijgend zwieren van vleermuizen, die in de lucht een wijden kring beschrijven als rondom een voor ons onzichtbaren dom ; en dan de nachtegalen, die met hun zwellend lied ons hart in het dichte loof der amandelboomen trekken, zóó hoog dat het ons is alsof de pilaren der aarde wegzinken in den gouden vloed, dien het maanlicht uitgiet. Ook herkende ik de kleine onschadelijke opalen slangen; de vorschen met hun breede gezwollen kaken, kwakende bluffers op hun ondiepen vijver; de hagedissen, die als groene bliksemvonken langs den muur schieten. Als gij roerloos nederzit en den adem inhoudt, doen zij u de eer aan, u voor een steen te houden en flikkeren rustig om u heen, met die ongelooflijk groote oogen in dat verwonderlijk kleine kopje. Ik herkende ze, hoewel zij kleiner waren geworden, dan zij in mijn kinderoogen waren; ik herdacht, hoe ik mij hun kameraadje had gevoeld, zooals een kind zich dit tegenover heel de dierenwereld voelt, voordat de mensch in hem alle recht op Eden heeft verbeurd. Ik herinnerde mij, hoe ik een vogel, een geit tot vrienden had; hoe ik een cikade, die ik gevangen had, in een rieten kooitje naar buiten bracht en vrij liet op een boom, zeggende: „Lieve grillino, had je het te benauwd bij mij en ben je blij met de eikenblaadjes en hou je van mij, omdat ik je weer loslaat? Zeg ja, als je zingt; ik zal het zeker verstaan."

Nu schenen alle dieren verder van mij af, niet langer de mijne, of mijns gelijken. Aanwezig ja, maar door een kloof van mij gescheiden. Vruchteloos smachtte ik, als andere rijkaards, in het heete middaguur naar een enkelen droppel van dien koelen morgendauw, de onherroepelijke onschuld van het kind, dat de speelnoot der vogelen mag zijn. Is eenmaal het

Sluiten