is toegevoegd aan uw favorieten.

Aurora Leigh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACHTSTE BOEK.

Eens op een avond zat ik weer alleen op het terras van mijn hooge burcht met een boek op mijn schoot, om te doen alsof ik las, terwijl Marian beneden in den tuin, ter zijde van de fontein, wier gemurmel ik in de dommelige stilte van den uitgeputten dag nog even hooren kon, op het gras lag geknield en de eene purperen vijg na de andere schilde, die aanstonds door haar gulzig kind met begeerige lippen werd uitgezogen. Daar stond de kleine vlak tegenover haar, lokken en wangen door den laatsten zonnestraal in gloed gezet, trappelend met de kleine voeten, terwijl hij telkens zijn ongeduldig, bevelend: „nog meer, nog meer," deed hooren; — prinsen worden wij allen geboren. Op eens — daar hoorde ik een lach, den lach van droeve, onschuldige zielen, die onmiddellijk wordt gestaakt, alsof zij van zich zelve schrikt, 't Was Marian die lachte. Ik zag haar een blik slaan naar de plaats, waar ik zat, als schaamde zij zich, dat ik haar had hooren lachen; dadelijk waren mijn oogen in mijn boek en zag ik voor het eerst, dat het Boccaccio s Valk was; het verhaal van den minnaar, die uit liefde het beste, wat hem liefheeft, doodt. Sommigen van ons doen nog heden