Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij, mijn koning!.,.

Ik voelde hem meer dan dat ik hem zag. Op rees ik, of hij werkelijk mijn koning ware, maar zat aanstonds in verwarring weer neder, worstelend, om mij zelve meester te blijven, 't Is armzalig, maar zoo zijn wij vrouwen gemaakt. Wij zouden voor u inden dood willen gaan, o zeker, maar u een duimbreedte van onze volle lengte sparen — dat nooit. Vijf voet vier, ziedaar de maat, waarop wij recht hebben, zij

het ook, wanneer wij in onze doodkist worden eele^d

tls belachelijk. s

„Gij Romney? — Is lady Waldemar hier?"

Hij antwoordde met een vreemde stem: „Ik heb een brief van haar, dien gij aanstonds zult lezen, maar vooraf vraag ik voor mij zeiven gehoor, ik, die daarop lang heb gewacht en daarvoor ver heb gereisd. Gij meendet een vervelend boek voor woed te hebben dichtgeslagen.- Wel, ge hebt ergens een vouw gelegd en zie, daar vindt gij mij terug."

Raakte hij mijn hand aan of enkel mijn mouw? Ik beefde van het hoofd tot de voeten — hij moet mij hebben aangeraakt. — „Wilt gij niet gaan zitten," vroeg ik en wees op een stoel. — Hij nam — hoewel wat langzaam en onzeker — onmiddellijk plaats aan mijn zijde op de sofa, waarop ik gezeten was — ik had sofa en stoel op het terras laten brengen.

„Hoe verwonderlijk u hier te zien, neef Romney 1" sprak ik. „Maar wat is geen wonder in een zomerden* als deze, met zulk een schouwspel voor oogen.

Ik wees naar den hemel, waar thans alle sterren flonkerden, alsof een sterke hitte plotseling op een donkere bladzijde de schitterende letters van een creheim schrift aan den dag had gebracht.

„Gij weet dus niet..prevelde hij.

„Ja, ik weet," was mijn antwoord. „Ik heb het door Vincent Carrington gehoord. Maar ik dacht niet, dat zelfs dit u uw werk in Engeland zou heb-

Sluiten