Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stemmend het hoofd, maar sprak geen woord. Hoe kon ik spreken van haar tegen Lady Waldemar's nieuwen echtgenoot. Hoe veel of hoe weinig was hem bekend? — Hij sloeg geen acht op mijn beweging, maar herhaalde: „Is Marian wel?"

„Zij is wel," was mijn antwoord.

Een uur geleden was zij daar beneden in den tuin geweest, maar het vallen van den avond had haar naar binnen doen gaan, en nu hoorde ik haar in een bovenkamer met zachte stem haar kind in slaap zingen. Ongedurig als het knaapje was van de hitte en het spelen en een wat te lang gerekt middagslaapje, had moeder soms heel wat te zingen en te sussen, eer de kleine woelwater de oogen sloot.

„Zij is wel," sprak ik.

„Hier?" vroeg hij.

„Ja hier."

Hij zweeg en zuchtte. „Dat is voor straks," vervolgde hij; „eerst heb ik iets anders af te doen. Ik heb u iets te zeggen en zou gaarne daartoe alleen met u zijn, zonder door een derde te worden gestoord.

„Spreek," hernam ik, „zij zal u niet hinderen."

Hij wendde plotseling, met een glimlach, die mij door alles heenging, zijn gelaat naar mij toe: „Ik heb uw boek gelezen, Aurora."

„Gij hebt het gelezen en ik heb het geschreven — dat is afgedaan. — En wat verder?

„Het verdere is aan het eerste gelijk," was zijn antwoord. „Het boek is hier in mijn hart; het leeft in mij; het waakt en droomt in mij. Mijn dagelijksch brood is er van doortrokken en als mijn wijn er niet naar smaakt, dan werp ik hem weg, als een onnatuurlijken drank voor mij."

Bitter viel ik hem in de rede: „Waartoe uw wijn te verspillen? Het boek heeft in mij geleefd, voordat het in u leefde; ik ken het beter dan ieder ander, weet beter hoeveel zwaks en lafs en onbeduidends er in wordt gevonden, en dat het zooveel lof te eene-

«7

Sluiten