Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jaren, mijn neef Romney over een toekomstig boek van mij zou spreken, dit mij als hoop oneindig gelukkiger zou hebben gemaakt, dan het mij thans, nu ik het werkelijk ondervind, vermag te doen. Dat is droevig, helaas."

„Ja," zeide hij, „het is nacht."

„En daar zijn de sterren," voegde ik er op luchtigen toon bij. Kom, spreken wij van sterren en niet

langer van boeken."

„Zij lichten voor u," sprak hij dof. „Wees hun gelijk, Aurora. Bestraal mijn duisternis met uw licht, zij het ook hoog en ver en koud als een ster; zij het voor dezen korten nacht alleen. Gij zijt en blijft dezelfde Aurora van dien schoonen Junimorgen, die de bloemen voor mijn aangezicht deed verwelken en mij als een onwaardige voor altijd uit den hof dreef. O, verdiend, verdiend! Dat ik, die Gods les nog niet half kende, als een eigenzinnige domoor, blind voor den samenhang, de andere helft ongeduldig moest zoeken uit te vegen ; dat ik met de ruwe onbeschaamdheid van den man, de Aurora dezer wereld moest op zijde duwen; haar die de andere zijde der bladzijde bestudeerde! Haar voorbij moest zien, omdat zij vrouw was en vorstin, en de basstem van den man niet in haar lied kon doen klinken! Mijn leerares, die mij met een boek hebt onderwezen 1 Mijn Miriam! wier liefelijk gezang mij, toen ik schier wegzonk in de golven, nog altijd van den oever tegenklonk! O, verdiend, verdiend, dat ik hier sta en opzie naar de sterren en hun glans en glorie derven moet...

„Romney Leigh," viel ik hem in de rede, „wat dwaze taal is dat? Gij spot en overdrijft, of ik versta u verkeerd. In die morgenure, waarvan wij spreken, waren de rozen zóó rood en de boomen zóó groen, en was een verwijt zoo natuurlijk, wanneer de een niet zag, wat den ander klaar bleek als de dag! Maar bedenkt dat het nu nacht is en wij schaduwen in steê van kleuren hebben; dat wij oud en koel en

Sluiten