Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gij!" Zij klonken al harder en harder, telkens minder aan uwe stem gelijk — eindelijk overschreeuwden zij mij als een minachtende triomfkreet, en dat prikkelde mij tot toornigen wederstand, 't Was niet langer verblindheid — dat weet ik — maar schuldig verzet. Met de koppigheid van den man zette ik mijn daad door en streed ik tegen mijn twijfel — want ik twijfelde ten laatste — totdat eindelijk mijn schepping mij begaf en mij liet zooals ik ben — het scherm gevallen, mijn rol ten einde, het voetlicht uitgedoofd, door mijn eigen ziel in het stikdonker uitgefloten. En daar sta ik thans en leg mijn needrige bekentenis af: ik heb gedwaald, ik heb jammerlijk gefaald, ik heb mijn levensdoel laten glippen; aan mij de nederlaag, Aurora, aan u de overwinning."

„Blijf," riep ik, ik heb op mijn beurt aan u iets te zeggen: — ik heb evenzeer gefaald."

„Gij," sprak hij, „gij zijt groot. Der grootheid voegt een trek van stille droefheid wel. 't Is als de schaduw, die de helmpluim op het aangezicht van den overwinnaar doet wuiven."

Ik viel hem met gestrengheid in de rede: „Gij hebt mijn boek, maar niet mijn hart gelezen, want gij weet, dat is in een sanskriet geschreven, waar gij niet in thuis zijt. Ik heb ontegenzeggelijk gefaald, als falen beteekent, droef en moedeloos terug te zien op een arbeid, vol hoop en vreugde ondernomen; afgemat langs de bergtoppen der Poëzie te dwalen — ziet ge, Romney, ik kan de woorden van een vriend onthouden, even goed als gij — hunkerend naar het eerste het beste smalle, effen paadje op den beganen

grond en met een bitter hart gedenkend wel,

dit doet niets ter zake. Ik zeg dit alleen maar, Romney, om u te weerhouden van nog meer te zeggen, en u te doen gevoelen, dat ik waarlijk niet hoog genoeg sta, om u aan mijn voeten te kunnen dulden, noch veilig genoeg ben, om u de helpende hand te kunnen bieden. Op dien Junidag thans zoo diep in den krater

Sluiten