Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschelijke herscheppen moet, of het meest aangrijpende lied van den rijkstbegaafden dichter raakt slechts de oppervlakte van den mensch, evenals de beker, waaraan hij de lippen zet. En dan — maar van het overige kan ik niet spreken. Misschien twijfel ik er thans meer aan dan gij op dien morgen deedt, of ik het teeken van den waarachtigen dichter wel aan het voorhoofd heb gedragen. Deed ik het, dan zou het voor mijn gevoel, dunkt mij, meer op een krans, ja zelfs op dien dwazen groenen gelijken. Helaas, ik geloof — en het meest als ik in het volle daglicht sta — — dat ik volkomen heb gefaald. Maar wat doet dit ter zake, Romney? Al falen wij — gij, ik ... en nog zooveel andere, zwakke arbeiders ... Hij faalt nooit. Kan Hij zijn doel niet door ons, dan zal Hij het over ons heen bereiken. Voor Zijn werk heeft Hij geen man en nog veel minder een vrouw van noode. Bij elke flonkering van gindsche ster wordt een ziel geboren, die op hare beurt zal arbeiden. Dit brenge de onze tot rust. Wij moesten er ons over schamen, dat wij onder dien sterrenhemel durven nederzitten, vol ergernis dat wij niets zijn.

,.Konden wij maar voor altijd zoo zitten, liefste vriendin, ik zou mijn falen nog beter dan slagen achten. En toch is uw boek toegevender voor mij geweest, dan gij ooit zult zijn. Uw boek heeft mij dien helderen Junidag geheel hergeven, mij weer doen dwalen door de lanen, mijn oog doen rusten op den krans — wat bloosdet gij • • • o, vergeef mij, trek u niet terug — ik zeg alleen maar, dat ik u dank weet voor wat het mij leerde en vergunde bovendien. Dichteresse, gij moogt twijfelen aan uzelve, maar twijfel voortaan nooit meer, dat gij dichter zijt voor mij. Gij hebt zangen geschreven, lieve, die mij in stilte in beroering brachten, zooals in Maart het sap in de twijgen in beweging komt, al schijnen deze levenloos als een steen. Maar dit laatste boek van u was me als zachte, milde regen, des nachts

Sluiten