Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neergevallen, die de zwellende schors op eens ^ in duizende knoppen doet uitbotten en de lente zich luide aankondigen doet. In al uw andere boeken zag ik slechts u, zooals een man de maan in een vijver kan zien schijnen, zonder haar daarom een stap nader te zijn, of door dien aanblik iets te winnen — tenzij een graf in de diepte. Daarom wendde ik mijn hart af van dien aanblik, want wat had ik, dacht ik, met haar te maken ? Aurora met Romney ? Maar in dit laatste boek toondet gij mij iets buiten, iets boven u zelve aan, en ik liet het op mij inwerken en mij er door omhoog heffen. Gij hebt mij waarheden doen aanschouwen, o vriendin van dien Junidag, die mij thans, nu Juni voorbij is, het nachtelijk duister verlichten; waarheden die uw eigendom niet zijn, maar die door u binnen mijn bereik werden gebracht, mij het best door uw stem, uw lied verstaanbaar konden worden gemaakt. Ik heb gedwaald, dat is zeker, zooals vele denkers dezer eeuw, ja zooals vele christenleeraars, die half in den hemel leven, in gelijken zin dwalen; ik heb onze natuurlijke wereld te veel als iets op zichzelf staande beschouwd, alsof geen geestelijke wereld haar wederhelft mocht heeten, alsof zij niet door deze werd aangevuld en verklaard, niet tot een rechtvaardig, volmaakt geheel afgerond. Lijn bij lijn, vorm bij vorm, niets enkelvoud, niets alleen; het groote Hierbeneden door het groote Daarboven omvat; de schaduw hier substantie ginds, het lichaam de ziel bewijzend, zooals het gevolg de oorzaak bewijst. — Wij intusschen, wij klemmen ons aan het stoffelijke vast, zoo koppig als honden aan een been; al slaan rede en natuur ons in het aangezicht, wij laten ons eer de tanden breken, dan onze prooi te laten gaan. Allerwege zit het materialisme ten troon — wij eten klei als de volksstammen in het Westen, in plaats van ons met Adam's koren en Noach's wijn te voeden; klei bij handenvol, klei, niets dan klei, tot wij er tot berstens toe mee gevuld

Sluiten