Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Toch moeten wij zorg dragen," was mijn antwoord, „dat wij niet te veel naar de andere zijde overhellen en zoo ten tweedemale falen. Geen ernstige taak, in een oprechten geest ondernomen, hoe zwak, onvolkomen, ongeschikt ook ten uitvoer gebracht, mag geheel vruchteloos worden genoemd. Ook zij draagt een zandkorrel bij tot de som van alle daden door menschen verricht om Gods bedoelingen te verwezenlijken. Geen sterveling arbeidt zoo slecht, dat hij daarom van arbeiden zou worden ontslagen. Werken is de roeping van den eerlijken, ernstigen man, en ja van de vrouw evenzeer — anders daalt zij in waarde beneden den man en maakt zichzelve tot zijn lijfeigene. De vrijgeboren mensch moet werken als een vrije. Wie God vreest, durft niet lui en gemakkelijk daarheen leven."

„Dat is waar, riep hij uit. „Na Adam was werken vloek; de natuurlijke mensch wordt door het zweet van den arbeid verlaagd. Maar na Christus werd werken voorrecht. Eén met ons, menschen, geworden, roept van die ure af aan de zesdaagsche Arbeider ons door Zijn bezielenden geest tot vrijelijk voortwerken met Hem in hooge gemeenschap. Dat alleen

kan ons waarlijk gelukkig maken. Het Hiernamaals

ik ben er zeker van — zal niets zijn dan arbeiden tot zekerder uitkomst dan hier. Ja, werken moeten wij, maar niet langer, zooals Adam —, of zooals Leigh heeft gedaan — ons inbeeldende de eenige mensch op aarde te zijn, die verantwoordelijk is voor al de doornen en distelen, welke hier groeien, voor al de tijgers, die hun prooi beloeren; wanhopig worstelend tegen ziekte en koude, tegen honger en gebrek; voortdurend morrend, omdat de aarde geen paradijs mag heeten. Aurora, laten wij tevreden zijn met te doen wat wij kunnen, en niet bitter worden omdat wij zoo weinig vermogen. Zeven man, zegt men, zijn noodig om één speld te maken; wie den kop maakt bekommert zich over de punt niet; wie de punt

Sluiten