Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haat. — Stil, er is nog een vierde. Met hem, ik ben er zeker van, zou ik deugdzamer zijn geweest, dan gij zonder hem; daarom haat ik u uit deze donkere, ledige diepte mijner ziel, die uitloopt op wat, zonder u, mijn hemel had kunnen zijn, maar nu een plaats is om bij te vloeken. Liefde"

Daar stond ik, beladen met den vloek, ontsteld, verward, versuft schier. Mijn oogen hadden er slechts over behoeven te waren, om de beteekenis van haar schrijven te vatten, al haar slangenbeten te voelen. — „O, niet gehuwd!..."

„Gij vergist u," sprak hij. „Ik ben gehuwd. Is Marian Erle mijn vrouw niet? Zooals God de dingen ziet, heb ik een vrouw en een kind en ik, die eerbied heb voor God, ben hier gekomen om hen als mijn vrouw en mijn kind op te vordeien."

Ik kon ternauwernood adem halen; hoe had ik kunnen spreken? Maar ik behoefde niet te spreken. Daar was een andere, die het woord voor mij nam. „Romney," klonk het, „mijn groote, goede Romney, mijn engel uit den hemel."

Toen voor het eerst wist ik, dat Marian Erle schoon was. Zij stond daar, roerloos, bleek als een heilige. Door het vloeiend maanlicht van de aarde als opgeheven, scheen zij met een heiligenkrans omgeven. „Ik heb mijn kind te slapen gelegd," zeide zij, „en hierheen komend, hoorde ik u spreken . , . vriend! — Herhaal nog eenmaal wat gij zeidet. Gij neemt deze Marian, zooals booze menschen haar hebben gemaakt, tot uwe eervolle vrouw?"

De trillende, diepe, fiere, gevoelvolle stem! Hij strekte er de armen naar uit, als om haar aan zijn borst te sluiten. — „Ik neem haar, zooals God haar heeft gemaakt, — geen menschenhand, die Zijn werk heeft kunnen schenden — tot mijn geëerde vrouw.

Zij sloeg de oogen niet op, zij kwam geen schrede nader, maar stond daar roerloos en vervolgde; „gij neemt het kind van deze Marian, in het oog der

Sluiten