Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hand hebben vermorzeld, bloem en pijn aan u en mijn eigen ziel ontveinzend, ware dit groot verlies, deze wanhopige smart niet gekomen; ware het niet, dat ik hier voor u stond en u in het aangezicht zag, wetend dat gij niet zien kunt waar ik sta. Gij denkt misschien, dat mijn trots nog niet is gebroken; dat het mij mogelijk is dit alles te zeggen, wijl uwe oogen de mijne niet van schaamte kunnen doen neerslaan? O kalme, edele oogen, door een stormvlaag uitgebluscht, gedoofd als het licht op de baren, waarnaar de schipbreukeling zich jammerend uitstrekt — o mijn Duister, mijn Wolk, die dag aan dag voor mij zult uitgaan, terwijl ik de wildernis tegenga — hoe wenschte ik dat gij tot op den bodem mijner ziel kondet lezen. Is dit medelijden, dan is het deernis met mij zelve — geen medelij metRomney! Hij kan alleen staan, een man als hij wordt door het lot niet gebroken; geen vrouw als ik zou beklagenswaardig durven noemen wie door Gods heiligen wordt toegejuicht. Hij begreep de wereld niet, maar ik mijn eigen hart niet en die misvatting was noodlottig. Romney, wilt gij mij hier achterlaten, zoo dwalend, zoo trotsch, zoo zwak, zoo troosteloos? Zoo niets, niets dan een vrouw — en ik heb u zoo lief — zoo lief, Romney!"

Kon ik zijn aangezicht zien? Ik schreide zoo... Zonk ik aan zijn borst, of waren het zijn armen, die mij omstrengelden? Waren het mijn tranen of de zijne, die mij gloeiend langs de wangen stroomden en welk van onze twee bonzende harten was het, dat mij zoo schudden deed? Ik weet het niet. Er klonken woorden, die als wegsmolten in het vuur eener onstuimige omhelzing, in een kus, lang en zwijgend als de nacht, die ons met haar glorie omgaf; — daarop diep, diep zwoegend ademhalen, waarin zich alles uitstortte, wat in woord noch kus een uitweg vinden kon.

Wat hij zeide ?... Ik heb geschreven, van dag tot dag voortgeschreven, weinig vermoedend, dat zulk

Sluiten