Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Vier verlengsels, de bovenste en onderste ledematen; zij bestaan uit een gelijk aantal overeenkomstige deelen:

a. Een beenigen ring, van boven door het schouderblad en het sleutelbeen, van onder door het bekken gevormd.

b. Een tweede stuk, in zeker opzicht het lichaam van het lid vormende: het opperarmbeen

en het dijbeen.

c. Een opvolgend gedeelte, bij beiden uit twee beenderen samengesteld, den voorarm en het been.

d. Een van vingers voorziene aanhangels, de eigenlijke uiteinden, de hand en den voet.

Naar hunnen vorm onderscheidt men de beenderen in: lange, platte of breede, korte of dikke en gemengde beenderen.

1. Lange beenderen, pijpbeenderen komen vooral aan de ledematen voor. /ij bestaan uit een middelstuk ot lichaam en twee

uiteinden.

2. Platte of breede beenderen, komen vooral aan hoofd en romp voor; men onderscheidt aan hen twee oppervlakten, randen en hoeken.

3. Korte, dikke of onregelmatige beenderen, komen aan den hand- en voetwortel, den romp en het hoofd voor: wervels, wiggebeen, enz.

4. Gemengde beenderen zijn overgangen van

Sluiten